Wat is er nodig om domeinoverstijgend te werken?
Volgens Bertijn en Ten Kleij vraagt domeinoverstijgend werken om drie dingen: een gedeelde visie, kennis van elkaars mogelijkheden en structurele samenwerking. Het begint met de vraag wat iemand nodig heeft, niet met de grenzen van een organisatie of regeling. Professionals moeten elkaar kennen, maar ook weten hoe zij elkaar kunnen vinden en welke ruimte er binnen andere organisaties bestaat.
Dat vraagt bijvoorbeeld om vaste contactpersonen en kennis van elkaars ruimte en regelingen. Maar succesvolle samenwerking mag niet afhankelijk blijven van toevallige contacten. Daarom is het belangrijk dat organisaties afspraken, netwerken en werkwijzen ontwikkelen die samenwerking ondersteunen.
Volgens Ten Kleij begint veel samenwerking verrassend eenvoudig: ‘Je moet weten wie je kunt bellen, op welk nummer en met welke vraag.’
Welke lessen halen jullie hiervoor uit de lerende praktijken?
De lerende praktijken bevestigen voor beide gesprekspartners dat domeinoverstijgend samenwerken werkt wanneer mensen elkaar weten te vinden. In de vier regio’s zien Bertijn en Ten Kleij hoe gemeenten, UWV, zorgorganisaties en werkontwikkelbedrijven oplossingen vinden door samen te werken. Bijvoorbeeld door gezamenlijk casussen te bespreken, begeleiding rondom een overstap te organiseren of creatieve oplossingen te vinden voor vragen rondom inkomen en ondersteuning. ‘We hebben ontzettend veel bevlogen professionals gezien’, zegt Bertijn. ‘Mensen die verbindingen maken die niet vanzelf ontstaan.’
De twee zien ook een kwetsbaarheid. Elkaar kennen blijft een belangrijke succesfactor. Maar daarin schuilt tegelijkertijd een risico. Wanneer samenwerking volledig afhankelijk wordt van enkele sleutelfiguren, verdwijnt kennis gemakkelijk als mensen vertrekken. De uitdaging is daarom om persoonlijke relaties te verbinden aan structurele afspraken en netwerken.
Welke beweging is te zien in zorg en werk?
Zowel binnen de gehandicaptenzorg als binnen de werkontwikkelbedrijven zien Bertijn en Ten Kleij een duidelijke beweging. In de gehandicaptenzorg verschuift arbeidsmatige dagbesteding steeds vaker van eigen locaties naar plekken midden in de samenleving. Volgens Bertijn kijkt de gehandicaptenzorg daarbij steeds minder binnen de grenzen van de eigen organisatie en steeds meer naar het bredere netwerk daaromheen. Welke ontwikkelstappen zijn voor iemand mogelijk? Welke partners kunnen bijdragen? En hoe kunnen mensen gebruikmaken van het volledige netwerk van werk, zorg en ondersteuning?
Ook binnen de werkontwikkelbedrijven ziet Ten Kleij een fundamentele verandering. Vroeger boden deze bedrijven vooral werk aan op eigen locaties. Maar tegenwoordig ontwikkelen zij zich steeds meer tot organisaties die werken aan een ‘toekomstbestendige sociale infrastructuur’. Dat wil zeggen dat hun rol verschuift van het aanbieden van werkplekken naar het verbinden van mensen, werkgevers en ondersteuning. De ambitie is dat werk niet langer plaatsvindt op aparte, gespecialiseerde locaties, maar zoveel mogelijk onderdeel wordt van de samenleving zelf.
Beide ontwikkelingen brengen zorg en werk dichter bij elkaar. ‘We zijn er nog niet’, stelt Ten Kleij. ‘De beweging is ingezet, beide werelden groeien steeds meer naar elkaar toe, maar er is nog veel werk te doen.’ Bertijn benadrukt: ‘Zorgorganisaties, werkontwikkelbedrijven en werkgevers zijn bondgenoten in dezelfde maatschappelijke opdracht: mensen helpen om hun talenten te benutten en volwaardig mee te doen in de samenleving.’
Welke rol speelt de landelijke overheid?
Hoewel veel oplossingen lokaal ontstaan, vinden Bertijn en Ten Kleij niet dat de landelijke overheid achterover kan leunen. ‘Gemeenten hebben veel vrijheid om hun beleid vorm te geven. Dat biedt ruimte voor maatwerk, maar zorgt ook voor grote verschillen tussen regio’s’, vindt Ten Kleij. Daarom ziet zij een belangrijke rol voor het Rijk: ‘Niet door alles dicht te regelen, maar door een duidelijke visie neer te zetten op wat samenwerking tussen zorg, werk en ondersteuning moet opleveren.’
Tegelijkertijd zijn zorg en werk nog vaak gescheiden werelden, bijvoorbeeld bij de nieuwe regionale werkcentra. Hoewel deze centra een belangrijke rol hebben rondom werk en ontwikkeling, is de verbinding met zorg nog niet vanzelfsprekend georganiseerd. Juist daar liggen kansen voor de toekomst. De VGN heeft daarom expliciet gevraagd om domeinoverstijgend samenwerken steviger te verankeren in de herziening van de Participatiewet. Ook Cedris pleit voor meer aandacht vanuit de landelijke overheid voor deze manier van werken. Samenwerking mag niet afhankelijk zijn van goede wil, maar moet onderdeel worden van hoe het systeem is ingericht.